biografie    boeken    filographie    scènes ◄   lezingen    pers ◄  


 

 

 

Filographie, filosofie van denken in vormen. Fragmenten

door Gabor Lodi en Lidwien Schuitemaker


Inleiding
De afgelopen twintig jaar is door ons onderzoek gedaan naar denken. Hiervoor zijn door ons de filographie en de filographische vormen ontworpen, gebaseerd op zogenoemd ‘automatisch’ tekenen en een aantal uit denken en wetenschap geselecteerde thema’s die wij bruikbaar achtten voor dit onderzoek. Op deze filographische vormen en thema’s zijn bepaalde ideeën en gedachten toegepast en deze gedachten zijn visueel vormgeven, waardoor een binding tussen denken, materie en ruimte zichtbaar wordt. Deze binding wordt met de term filographie weergegeven: ‘filo’ staat hierin voor het filosofische, het denkaspect en ‘graphie(k)' voor het praktische karakter van het onderzoek (tekeningen, grafiek, collages, objecten en foto’s).

Denken, materie en ruimte
Een van de richtlijnen bij het filographisch onderzoek is de idee dat de hersenen op microniveau (subatomaire deeltjes) en macroniveau (heelal) in verbinding staan met de overige materie en ruimte en dat materie en dus ook het heelal zichzelf bewust worden via denken van de hersenen. Wanneer het denken onderzocht wordt, worden materie en heelal onderzocht. Waarom onderzoekt de materie zichzelf? Als de materie van zichzelf bewust is, zou zij zichzelf niet hoeven onder-zoeken. Dat materie, ruimte en denken zichzelf onderzoeken, zou betekenen dat zij zichzelf niet kennen. En waarom zouden ze zichzelf moeten kennen? Om bewust te worden en zichzelf te verbeteren? Deze gedachtegang doet denken aan Hegels idee dat de natuur via de mens tot zelfbewustzijn komt.
Hersenen zijn uit dezelfde bouwstenen opgebouwd als de overige materie (atomen, elektronen et cetera), waardoor geen scheiding bestaat tussen ‘dode’ en ‘levende’ materie. Heeft zogenoemde dode, niet organische materie, bijvoorbeeld een steen, deel aan het denken en heeft het in die zin bewustzijn? Op microniveau hebben hersenen dezelfde bouwstenen als de steen en op dit niveau zijn de deeltjes van beide met elkaar en de overige materie in verbinding. Hierdoor is het mogelijk dat de microdeeltjes van de steen deelnemen aan het denken.
De filmregisseur Andrei Tarkovsky heeft in zijn film ‘Solaris’, ge-baseerd op een verhaal van Stanislaw Lem, de problematiek van de relatie tussen materie en denken zo uitgewerkt, dat het hele heelal, alle materie, een wezen met bewustzijn is, in deze wereld worden de denkmogelijkheden vermaterialiseerd, in objecten gerealiseerd. Heeft alles bewustzijn, of is wat wij bewustzijn noemen in werkelijkheid het herordenen van patronen?

Kennis en heelal
Zijn onze hersenprocessen zodanig met het heelal verbonden dat wij het heelal kunnen kennen? En kunnen we het onderzoek van de filographische vormen in onze gedachten koppelen aan de vormen van het heelal? Is door de materialiteit van ons denken en doordat ons denken deel heeft aan de materie als zodanig, het heelal volledig door ons te kennen, of alleen voorzover de beperktheid van onze praktijk en ons kenapparaat dit toelaten? Kunnen we de werkelijkheid kennen en weten wat werkelijkheid is? Of bestaan er, zoals de natuurkundige John Gribbin beweert, dingen die we nooit te weten kunnen komen?
Volgens de natuurkundigen Richard Feynman en John Wheeler is het denkbaar dat het heelal de creatie is van de beweging van één elektron, en dat wij ons in het verleden van deze beweging bevinden. Daarom zou het onmogelijk zijn naar het verleden toe te reizen. Een ander idee van Wheeler is dat door het heelal nu waar te nemen, we het verleden ervan tot en met de Big Bang beïnvloeden, en dat naarmate we het verleden meer beïnvloeden, creëren en veranderen,




we er meer van weten. Wheeler vat verleden, heden en toekomst op als één geheel, waarin ook hele kleine, door de natuur teweeg-gebrachte veranderingen ertoe doen: het wapperen van de vleugels van een vlinder hier, zou onweer in Australië kunnen veroorzaken of een verandering aan de andere kant van het heelal.
Misschien is het filographisch onderzoek (filographische stapelingen) slechts een reeks die voortvloeit uit talloze materiële processen en is alles - inclusief de invloed die wij hierop denken uit te oefenen - een verschijning van de beweging van materie, waarop wij geen invloed hebben. Als het heelal via ons denken denkt, weet het wat het denkt en daarom kan de mens niet nog iets anders denken, dit wordt dan namelijk door het heelal al gedacht. Een soortgelijke paradox is aanwezig in de filographie: filographie als product van het denken waarmee geprobeerd wordt het denken te begrijpen. Misschien gaat uiteindelijk alles (het heelal) over in iets anders, en is de mens geen bewuste materie maar komt deze idee voort uit zijn hoogmoed. En misschien is deze hoogmoed onderdeel van het proces dat verandering van het heelal bewerkstelligt.
Wat de werkelijke eigenschappen van de dingen zijn, lijkt in het licht van de veranderlijkheid van kennis een zinloze vraag. Vaak gaan we uit van de idee van een vaststaand geheel waarvan we steeds meer kunnen kennen, maar eigenlijk is onze kennis de grens van het geheel en breiden we deze grens uit door toename van onze kennis. De grenzen van onze kennis zijn te beschouwen als de grenzen van het heelal: voor ons is het heelal alleen datgene wat we erover weten, wat we niet weten bestaat voor ons ook niet. De mens ziet, begrijpt de wereld steeds vanuit het standpunt van de kennis waarover hij beschikt, met veranderingen in kennis verandert voor hem de wereld. De wereld heeft voor hem slechts in zoverre betekenis als zij toegankelijk is voor zijn zintuigen en voor het historisch ontwikkelde systeem van kennis. Omdat onze kennis groeit, is het wel mogelijk verschijnselen die voor ons onbekend waren, te vinden en te verklaren. Een systeem dat is opgebouwd volgens andere principes dan de mens, zal de werkelijkheid anders ‘zien’, begrijpen dan de mens: het neemt de materie anders waar, zal andere dimensies en golven onder-scheiden en op een manier communiceren die voor ons waarschijnlijk niet toegankelijk is. Misschien nemen andere systemen ons niet eens waar of beschouwen ze ons zoals wij naar de microorganismen kijken. Hoe de mens zijn wereld via geschiedenis en wetenschap ziet, is ten opzichte van het geheel, dat vermoedelijk veel ingewikkelder in elkaar zit, waarschijnlijk  onbeduidend. Of om met Einstein te spreken: aan de andere kant van de grens van onze waarnemingen bestaan werelden waarvan wij geen besef hebben.
 

Automatisch tekenen
Hans Arp gebruikte toeval (automatisme) in zijn kunstwerken en openbaarde hiermee veranderingen van de materie, die gevolg zijn van natuurkrachten, zoals het water een steen polijst of de wind de sneeuw voortjaagt, zoals de peer groeit tot een vorm van volmaaktheid en het kristal tot een andere.
Filographische lijnvormen zijn resultaat van zogeheten automatisch tekenen. Deze vormen ontstaan door bewegingen met hand en pen, waarbij de invloed van specifieke kennis zoveel mogelijk wordt uitgesloten. Doordat de hersenen voortdurend werken en gedachten en stand van de hand veranderen, ontstaan variaties in de tekeningen. Deze variaties zijn allemaal te herleiden tot patronen die bestaan uit langgerekte en rondachtige vormen waarvan de lijnen elkaar zelden kruisen. Het onderzoek van de gedragingen van filographische vormen in de ruimte zijn we begonnen met de eenvoudigste mogelijkheid, de lijntekening, en stap voor stap zijn ingewikkelder versies in twee en drie dimensies toegevoegd.
Door automatisch tekenen, analyse en omzetting van de filo-graphische lijntekeningen in driedimensionale beelden, ontstaan in het brein van de tekenaar niet de exacte vormen maar wel patronen die een ‘vertaling’ zijn van deze lijntekeningen en na het tekenen van verschillende reeksen is ontwikkeling in de tekeningen waar te nemen. Voor en tijdens het tekenen weet de maker niet nauwkeurig wat het resultaat zal zijn, welke vorm precies zal ontstaan wordt pas duidelijk wanneer de handeling van het tekenen is uitgevoerd.
In het totaal zijn ongeveer 500.000 filographische lijntekeningen gemaakt, daaruit zijn ongeveer 36.000 vormen geselecteerd, waarvan achtereenvolgens 100 en 36 en uiteindelijk 12 vormen zijn over-gebleven,door ons filographische basisvormen genoemd.
De selectie komt tot stand door vergelijking van de tekeningen, waarbij kenmerkende vormen worden uitgekozen.

 


Filographische vormen
De reden waarom deze filographische vormen gebruikt worden als middel om het denken mee te onderzoeken, is dat bij natuurvoor-werpen als een steen en een boom en bij door de mens gecreëerde gebruiksvoorwerpen zoals een mes en een huis allerlei interpretaties met betrekking tot functie, ontstaan en nut een rol spelen. Het is moeilijk om bij het zien van dit soort objecten deze interpretaties weg te denken. Door deze vermenging van vorm en functie wordt dan niet meer het denken zelf onderzocht, maar reeksen van functionele begrippen en combinaties hiertussen, bijvoorbeeld de reeks ‘boom, enkele boom, bossen, groeiproces van een boom, klimaat’, of de reeks ‘mes, gereedschap, geschiedenis van de mens, functie van het mes’. In de beeldende kunsten zijn vaker experimenten gedaan met functionaliteit en het zoveel mogelijk uitsluiten van kennis, bij-voorbeeld binnen het surrealisme en dadaïsme. De schilder René Magritte maakte ongewone combinaties en Paul Klee probeerde op dezelfde manier te tekenen als kinderen. Ook de kunstenaars Jackson Pollock en Jean Dubuffet experimenteerden met het zoveel mogelijk uitsluiten van specifieke kennis.
In het filographisch onderzoek is via het willekeurig uitleggen van de filographische vormen getracht de invloed van parate kennis van de onderzoeker op de uitvoering van de experimenten zo-veel mogelijk te beperken. Op deze manier is geprobeerd het denken zoveel mogelijk los van de invloed van deze kennis te onderzoeken. Ook zijn zo de bindingen onderzocht tussen denken en de ruimte waarin het denken zich voltrekt. De filographische onderzoeksactiviteiten wijzen erop dat tussen materie, ruimte en denken sterke bindingen bestaan en wij vermoeden dat ze van dezelfde aard zijn, wellicht zijn ze zelfs identiek. De resultaten van het uitleggen van de filographische vormen zijn pas voorstelbaar als dit in de ruimte heeft plaatsgevonden, de combinatie-mogelijkheden zijn eindeloos.
De oorzaken van de verschillende patronen die ontstaan door uiteggen van de filographische vormen zitten deels in de hersenen, deels in de vormen en deels in de ruimte, gezamenlijk bepalen deze de mo-gelijkheden, variaties. De variaties nemen toe wanneer een element wordt toegevoegd, bijvoorbeeld driedimensionale in plaats van tweedimensionale vormen, verschillende maten en kleuren.

Visuele waarneming
Analyse van de filographische vormen en taferelen die hiermee ge-maakt worden, gebeurt met behulp van visuele waarneming. Visuele waarneming is het proces van lichtweerkaatsing van objecten op het netvlies, waardoor signalen ontstaan die naar de hersenen worden doorgezonden en daar verwerkt worden. Bij het kijken naar dingen is niet alleen sprake van lichtweerkaatsing op het netvlies maar ook van verbindingen tussen deze lichtweerkaatsing en al in de hersenen in de vorm van sporen opgeslagen kennis en andere ervaringen. Nieuwe sporen reageren met al in de hersenen aanwezige sporen waardoor nieuwe combinaties van sporen ontstaan, reeksen die het denkproces vormen. Wanneer iedereen vanuit hetzelfde standpunt op hetzelfde moment naar hetzelfde object zou kijken, zou iedereen hetzelfde object zien doordat steeds sprake is van dezelfde lichtweerkaatsing van een en hetzelfde object op het netvlies. Wát iemand aan het object waarneemt, hangt echter niet alleen af van het proces van licht-weerkaatsing op het netvlies maar ook van kennis en andere ervaringen waarover deze persoon beschikt. Een stelling op het schaakbord wordt zowel door een schaker als door een niet-schaker waargenomen als een bepaalde groepering van stukken op het bord, maar voor de schaker heeft deze stelling een andere betekenis dan voor de niet-schaker, hij ziet er facetten aan die de niet-schaker niet kan zien omdat die geen kennis heeft van de regels en mogelijkheden van het schaakspel.
De materiële sporen die tijdens het zien van dingen in de hersenen ontstaan, gedachten, krijgen door verwerking in de hersenen betekenis voor de waarnemer en deze gedachten kunnen door hem weer in beelden of andere producten omgezet worden die daardoor toe-gankelijk worden voor anderen. Op deze manier ontstaat een continu proces van waarnemen, omzetting van het waargenomene in sporen en veruitwendiging van sporen die weer kunnen worden waar-genomen.

 
 
 


Basiselementen
Via lichtweerkaatsing ontvangen wij prikkels die we kunnen onderscheiden als ordeningen van basiselementen: 1. lijn; 2. kleur 3. materiaal 4. structuur 5. schaduw 6. afmeting 7. richting 8. her-haling, ritme, symmetrie 9. perspectief 10. ruimte, tijd, beweging 11. vorm 12. compositie. Ordening van deze basiselementen kan geïnterpreteerd en herkend worden als een object, persoon, plant, et cetera. Aan elke afbeelding onderscheiden we een ordening van basiselementen. Wanneer deze ordening zodanig is dat daardoor het beeld van een paard op het netvlies wordt geprojecteerd, dan zit in de afbeelding - dat wil zeggen in de ordening van basiselementen of in nog iets anders dat deze idee in de hersenen veroorzaakt - iets dat correspondeert met de idee ‘paard’. Niet het paard zelf komt zo in de hersenen en in de gedachten maar iets waardoor het paard herkend wordt en dat met tekenen, schilderen en andere technieken kan worden weergegeven. Ideeën kunnen in beelden worden vastgelegd en dit betekent dat bijvoorbeeld een schilderij niet alleen een besmeerd stuk doek is en een beeldhouwwerk niet slechts een uitgehakt stuk steen. Zowel ‘realistische’ als ‘abstracte’ beeldende kunstwerken kennen een ordening van basiselementen. In de abstract-expressionistische schilderijen van Jackson Pollock veroor-zaken deze niet de herkenning van een ‘paard’ maar van manieren van verf gieten en van verfstructuren.
Zou tijdens het waarnemen alleen sprake zijn van interpretatie, dan zou in de basiselementen die op het schilderij of in het beeld geordend zijn niet de betreffende persoon herkend worden, omdat interpretaties afhankelijk van kennis en andere ervaringen van elkaar kunnen ver-schillen. Doordat echter aan elke persoon een specifieke ordening van basiselementen te zien is, wordt hij als zodanig herkend.
Herkennen en onthouden van filographische objecten kost meer moeite dan het herkennen en onthouden van objecten die bekend zijn, vergelijkbaar met het proces van leren schaken: als de regels on-bekend zijn is niet duidelijk wat een schaakstuk vertegenwoordigt. Een verschil tussen filographie en schaken is dat in de filographie de regels niet vaststaan maar steeds opnieuw gecreëerd kunnen worden, het is een open systeem, spel. Doordat het filographisch spel een open systeem is, ontstaan door regelmatig kijken naar en wijzigen van filographische taferelen veranderende interpretaties van deze taferelen, die het maken en bekijken van nieuwe taferelen beïnvloeden en door dit proces kan een nieuwe ruimte in het denken ontstaan.
Binnen elk systeem, ook het filographische, wordt met regels gewerkt maar de mens is in staat te experimenteren met minimale en flexibele regels. De resultaten van dergelijke experimenten kunnen echter alleen met behulp van bestaande kennis (regels, systemen) beoordeeld worden, elk experiment en de conclusies die hieraan verbonden zijn, worden zo deel van het bestaande kennissysteem.

Ordenen van patronen
Logica, grammatica en visuele patronen (rond-vierkant; horizon-taal-verticaal;groot-klein) wijzen erop dat denken (verstand, be-wustzijn) bestaat uit ordenen, herinneren en weergeven van patronen. Deze patronen ontstaan doordat de hersenen reageren op beweging van materie die deze patronen veroorzaakt. Aangezien de hersenen patronen ordenen, mixen en weergeven en dit proces in en buiten de hersenen niet volledig bewust en controleerbaar is, ontstaat de schijn dat de hersenen iets speciaals doen. Maar vermoedelijk is alles wat de hersenen doen een soort impuls, een respons op materie en beweging die vormen voortbrengt. De hersenen doen wellicht hetzelfde als de overige materie: door beweging van materie ontstaan vormen (patronen) die combinaties met elkaar aangaan die weer vormen en beweging voortbrengen, enzovoort. Hieruit is te verklaren wat ‘de materie begrijpt zichzelf’ betekent, namelijk dat denken een vorm van bewegende materie is en dat ideeën patronen van bewegende materie (stof, substantie) zijn; hoe meer de wetenschap zich ‘ont-wikkelt’ hoe ingewikkelder de patronen en ideeën over denken wor-den. Ook de filographische vormen zijn product van bewegende materie in de hersenen. Als bepaalde patronen in de weergave van filographische vormen te ontdekken zijn, zegt dat iets over hoe deze patronen in de hersenen ontstaan en werken. Wanneer de filogra-phische vormen in bepaalde combinaties, standen en taferelen gezet worden of geplaatst zijn, worden materie en denken, op basis waarvan deze combinaties gemaakt zijn, beïnvloed: de oorzaak van de tafe-relen, het denken, wordt door het uitvoeren van de experimenten en de resultaten hiervan beïnvloed.



Op deze manier is een rechtstreeks contact tot stand gebracht tussen materie ruimte en denken, de bewegende materie beïnvloedt en onderzoekt zo tegelijkertijd zichzelf via patronen en voegt ideeën en objecten, patronen van bewegende materie, toe.
Via leerprocessen worden patronen talloze keren herhaald, totdat we ons deze patronen bewust worden en we deze kunnen gebruiken. Bewustzijn is zo op te vatten dat talloze individuen door de ge-schiedenis heen talloze malen dezelfde soort patronen hebben herhaald en gedacht. ‘Ik ben mij bewust’ betekent dan dat ook ik deze patronen herhaal. Dat we ons van iets bewust zijn, betekent dan dat iets al ‘miljarden’ malen als patroon is herhaald, gedacht. Zoals de nieren afscheiding hebben, zo hebben volgens sommige wetenschap-pers in de negentiende eeuw de hersenen als afscheiding het denken en bewustzijn.

Extra ruimte
Het filographisch onderzoek wijst op het bestaan van een ‘extra ruimte’ in ons denken. De mens heeft op deze ‘extra ruimte’ alleen indirect vat, van deze ruimte zijn met behulp van de gevestigde kennis (wetenschap) geen sporen te vinden. Via wetenschap wordt vooral nader onderzocht wat met deze kennis al gevonden is. Deze situatie is gedeeltelijk te doorbreken op een manier die doet denken aan een tovenaar die een verzameling botjes opwerpt die, nadat ze zijn neergevallen, steeds andere patronen doen ontstaan, patronen die beheerst worden door toevalligheden en door binding tussen ruimte materie en denken. Het element van toeval, ontstaan door willekeurige handelingen, is ook in verschillende spelen (dobbelen, kaarten) aanwezig. De ‘extra ruimte’ is de binding tussen denken en de ‘toevallige’ patronen die in de ruimte ontstaan. De vraag is in hoeverre deze patronen toevallig zijn: is de mens in staat zonder bedoeling te handelen of voltrekken zijn handelingen zich altijd volgens de wetmatigheden waaraan materie en ruimte onderworpen zijn? De ‘extra ruimte’, een van de aandachtspunten van ons onderzoek, heeft lengte, breedte noch uitgebreidheid en is vooralsnog alleen indirect te bevatten via verschijningsvormen: resultaten van filographisch onder-zoek en opnames en collages hiervan.
Wat bedoeld wordt met de ‘extra ruimte’ kan ook verduidelijkt worden aan de hand van het proces van het maken van een construc-tietekening voor een bepaalde functie, bijvoorbeeld een brug. Met behulp van de kennis en routine waarover de ontwerper beschikt, maakt hij meerdere schetsen van deze constructie en door de ze schetsen met elkaar te vergelijken kan hij tot het inzicht komen dat het mogelijk is een soort brug te ontwerpen die een vernieuwing betekent ten opzichte van de kennis en ervaring die hij had. De filographie onderzoekt of deze zogeheten ‘extra ruimte’ bestaat, in plaats van constructietekeningen worden hiervoor filographische vormen en taferelen gemaakt.

Filographisch spel
Voor de experimenten is door ons het filographisch spel ontworpen. Dit spel kent drie varianten: lijntekeningen, het platte vlak en een driedimensionale uitvoering. Een tafereel met filo-graphische vormen is te beschouwen als een stelling van het filographisch spel en dit spel bevat de volgende onderdelen: twaalf filographische basisvormen (spin, beer, ooievaar, ram, slak, hert, mammoet, kreeft, cobra, eend, mier, paard), hun jasjes, drie bakken, twee ringen en twee schalen. Alle filographische onderdelen (uitgezonderd de schalen) passen in de twee schalen, de filographische basisvormen passen in de daarbij behorende jasjes, deze vormen passen samen met hun jasjes in de bakken en deze passen met de ringen weer in de schalen. Van alle filographische vormen zijn symbolen gemaakt, een soort geometrische vereenvoudigingen van deze vormen. De symbolen kunnen gebruikt worden in plaats van de filographische vormen waar ze voor staan en ze kunnen fungeren als tekens waarmee de plaats van een filographische vorm in het spel wordt aangeduid. De taferelen zijn tot stand gebracht via willekeur, door toeval en willekeurige associaties te hanteren óf met inachtneming van de volgende aan wetenschap en filosofie ontleende thema’s: 1. wederzijdse beïnvloeding van materie en denken 2. meer denkmogelijkheden tegelijkertijd 3. verhouding van oorzaak en gevolg tot denken en vormen 4. beperktheid van kennis 5. verbinding tussen filogra-phische vormen en denken 6. verhouding  tussen  taal en objecten 7. verhouding  van  de  verschillende dimen-sies onderling en tot  ons denken  8. basiselementen 9. licht en licht-snelheid 10. denkpatronen gericht op visualiteit. Deze aan weten-schap en filosofie ontleende thema’s zijn tot stand gekomen door literatuuronderzoek en discussie over wat hiervan bruikbaar is voor het filographisch onderzoek.



                      
Omslag
Als alles met elkaar verbonden is, wordt onze logica van causaliteit volgens kwantummechanici problematisch. Dit geldt ook voor het uitvoeren van experimenten, omdat de onderzoeker tijdens het onder-zoek deeltjes beïnvloedt en daarmee zelf deel uitmaakt van het experiment. Zelfs het kijken van de onderzoeker zou dan het expe-riment beïnvloeden omdat de hersenen deel uitmaken van het micro-niveau, zij hebben rechtstreekse binding met de microwereld via onder meer lichtdeeltjes. Uit het gedachte-experiment van de natuurkundige Erwin Schrödinger (Schrödingers kat) zou blijken dat in de werke-lijkheid voortdurend sprake is van het tegelijkertijd bestaan van meerdere tegenstrijdige mogelijkheden.
Ook bepaalde afbeeldingen kunnen tegelijkertijd als twee of meer mogelijkheden gezien worden, bijvoorbeeld als eend en konijn of als vaas en portret. Een deel van de filographische experimenten, met name die met collages, is gericht op onderzoek van de idee van meer mogelijkheden tegelijkertijd. Volgens de kwantummechanica kunnen we niet spreken van een gebeurtenis maar slechts van de toestand van alle mogelijke gebeurtenissen van het object, waarvan wij de meest waarschijnlijke aannemen. Datgene waarvan wij ons bewust zijn en wat wij aannemen, is maar een heel klein gedeelte uit oneindige reeksen. Als het heelal eindeloos is en alles met elkaar samenhangt, is het denkbaar dat vanuit elk punt in de ruimte een oneindig aantal vertakkingen ontstaan.
Een groot deel van de collages biedt de mogelijkheid van een omslag (switch): afhankelijk van hoe naar de afbeelding gekeken wordt, ver-anderen perspectief, voor en achter, onder en boven. Waarschijnlijk wordt deze omslag veroorzaakt door het zien van verknipte lijnen, perspectieven en schaduwpartijen én doordat de hersenen het ver-mogen hebben meerdere dingen tegelijkertijd in zich op te nemen en de neiging hebben te interpreteren, te definiëren. In het geval van een omslag weet de toeschouwer dat in de afbeelding beide moge-lijkheden besloten liggen, door oefening zijn beide mogelijkheden tegelijkertijd te zien maar de neiging tot definiëren stelt dit meestal buiten werking. Al naar gelang naar een bepaald detail gekeken wordt en dan weer naar het geheel, verandert de kijk op de afbeelding, maar soms zie je een tijdje slechts één van beide mogelijkheden.

Referentie
De filographische vormen zijn geen afbeeldingen van reëel bestaande dingen maar gecreëerde vormen en hierdoor ontbreekt referentie. De meeste combinaties die in de collages te zien zijn, zijn in de realiteit onmogelijk maar onze hersenen accepteren deze combinaties, net als de filographische vormen, wel als reëel en als één geheel, ook al merken ze er iets ongewoons aan op. Wanneer een boom op zijn kop wordt getekend, valt op dat met de boom iets aan de hand is, omdat hier wel referentie bestaat, namelijk onze kennis over bomen (dat de boom niet met zijn wortels naar boven in de lucht groeit, et cetera), maar wanneer filographische vormen omgedraaid worden, wordt dit niet als onnatuurlijk ervaren. Onze hersenen hebben het vermogen dingen die niet bij elkaar horen bij elkaar te plaatsen en als één geheel op te vatten en te analyseren. In de collages is een gradatie verwerkt van duidelijk twee bij elkaar geplakte taferelen tot taferelen die uit meerdere onderdelen bestaan die niet meer als afzonderlijke onder-delen te herkennen zijn. Dat de hersenen deze afbeeldingen toch als één tafereel accepteren, komt deels doordat de gefotografeerde objecten al stapelingen zijn, door samenvoegen van meerdere afbeel-dingen worden deze stapelingen alleen maar verder opgevoerd. Soms bestaan de oorspronkelijke afbeeldingen al uit samenvoegingen van lijnen, vlakken en driedimensionale objecten, als daaraan nog iets wordt toegevoegd, is moeilijk te onderscheiden wat waar is toe-gevoegd.
Bij het maken van filographische vormen is de invloed van specifieke kennis zoveel mogelijk buitengesloten, waardoor toegang tot een andere wereld is ontstaan, wel een reële wereld maar alleen exis-terend in onze hersenen en als product van onze hersenen. Bij het zien van filographische vormen worden de hersenen gedwongen een nieuwe  wereld te creëren, het aanschouwde  tafereel op de een of andere manier te  inter
preteren. De samenvoeging van lijnen, vlakken en driedimensionale vormen op afbeeldingen wordt door de hersenen eveneens als één tafereel geaccepteerd, ook al wordt opgemerkt dat hier sprake is van een combinatie van verschillende dimensies; in ons denken bestaat geen duidelijk onderscheid tussen de verschillende dimensies. Wel gaan de hersenen heel anders om met het waar-nemen van afbeeldingen (projecties) dan met het waarnemen van reële dingen: in het geval van afbeeldingen is de weergave al niet exact en de interpretaties die hieraan gekoppeld worden nog minder, het kost de hersenen dan ook meer moeite om een afbeelding te interpreteren dan reële, driedimensionale objecten en als gevolg hiervan zijn de hersenen bij het waarnemen van afbeeldingen vat-baarder voor meer verschillende interpretaties. Dat is duidelijk te zien bij het draaien van de afbeelding: deze is moeilijker te herkennen als dezelfde afbeelding dan wanneer het driedimensionale object zelf gedraaid wordt. Als de afbeeldingen van filographische taferelen en van collages gedraaid zijn, kunnen deze aangezien worden voor nieuwe taferelen en collages. Dit fenomeen van omslag (switch) duidt op een ‘extra ruimte’ in het denken.




Open systeem
Via de filographische vormen is het mogelijk in het denken een reis te maken naar uiterst kleine en uiterst grote vormen en combinaties hiertussen. Het filographisch vormonderzoek levert misschien nieuwe combinaties en andere mogelijkheden als bijdrage aan de opbouw van de wereld. Via de filographische vormen kunnen wellicht, zodra daarover regels en wetmatigheden zijn vastgesteld, ook oplossingen gevonden worden voor problemen op andere terreinen, vergelijkbaar met logica, wiskunde en taal. Uit deze vormen kan misschien een visuele taal ontwikkeld worden. De filographische vormen zouden ook als een alternatief kunnen dienen voor de door ons nu hoofdzakelijk geometrisch ingerichte wereld. Filographie is een open systeem dat ruimte biedt aan steeds nieuwe vorm- en gedachtecombinaties. We hopen dat op langere termijn de filographie een vormbeeldtaal oplevert die snellere communicatie mogelijk maakt dan via woorden.
Filographie is ontstaan vanuit de idee om via een vormspel aspecten van het denken te onderzoeken en om een spel te ontwikkelen waarmee betekenissen en verborgen betekenissen zichtbaar gemaakt kunnen worden. In de filographie gaat het ons om de filographische vormen, de taferelen die hiermee gecreëerd kunnen worden, de hieruit ontstane visuele producten en de denkbewegingen die hiermee zichtbaar gemaakt kunnen worden. De filographische beeldresultaten zijn haast niet in woorden te vatten, daarom spreken we van een ‘extra ruimte’ in het denken. Van deze ruimte maakt de mens weinig gebruik omdat hij in zijn denken en handelen vooral gericht is op functionaliteit en geleid wordt door historisch gegroeide kennis. Deze kennis is zowel een hulp als een beperking bij zijn onderzoek van de werke-lijkheid. Met de filographie is een poging gedaan om deze beperking te doorbreken. Misschien kan via de filographische vormen met gedachten gereisd worden door de ruimte, waardoor een sterkere binding ontstaat tussen ons denken en het heelal.




 

Toelichting bij de illustraties


         1

1
Door automatisch tekenen ontstane vormen en de hieruit geselec-teerde twaalf filographische basisvormen. Op de middelste afbeelding zijn de symbolen van deze basisvormen te zien. De symbolen lijken op een schrift. In het totaal zijn ongeveer vijfhonderdduizend vormen gemaakt via automatisch tekenen.
 

         2  

2
Filographische basisvormen gegroepeerd in taferelen, waarbij toeval is toegepast. De vormen zijn op doorzichtige vellen getekend en met een willekeurige handbeweging geschoven. Hierdoor zijn op het platte vlak weergaven van ruimtes ontstaan. Van de resultaten zijn een paar duizend opnames gemaakt.


     3

3
Filographische lijnvormen gecombineerd met vlakke filogra-phische vormen waaraan ten opzichte van de lijnvormen een dimensie is toegevoegd. In deze afbeeldingen zijn standen van het filographisch spel vastgelegd. Dit spel kent geen vaste regels. Vaak wordt het toeval als hoofdregel gehanteerd. De standen kunnen als ruimtemodellen beschouwd worden.

 

               4

4
Onderdelen van het filographisch spel. Dit zijn ruimere vormen waarin de filographische basisvormen en symbolen geplaatst kunnen worden.
Met deze ruimere vormen wordt de ruimte om de basisvormen afge-bakend.


 5

5
Taferelen met onderdelen van het filographisch spel van verschillende afmetingen op het platte vlak. Met deze vormen wordt de ruimte langzaam opgevuld. Op deze manier ontstaan indrukken van dieptes.

6

 6
Combinaties van driedimensionale filographische vormen en sym-bolen in de ruimte. Door het toevoegen van een derde dimensie en de symbolen wordt de driedimensionale ruimte zichtbaar gemaakt.
De vormen lijken te zweven, net als de vormen op de voorgaande afbeeldingen. Wat onder en boven is, is niet bepaald, de afbeeldingen kunnen naar believen geroteerd worden.


7

7
Driedimensionale filographische basisvormen gecombineerd met filographische basisvormen in lijnuitvoering. In zo’n combinatie lijken de lijnvormen doorzichtig en geven ze de ruimte een dubbel karakter: vlak en driedimensionaal.

  8

8
Driedimensionale filographische basisvormen. Deze opnames zijn zo gemaakt dat aan de vormen te zien is van welke lijntekening ze zijn af-geleid. Als de vormen anders gedraaid worden en gecombineerd worden met andere filographische objecten, bouwen ze nieuwe vor-men en ruimtes. Vaak is dan moeilijk te herkennen van welke teke-ningen deze vormen zijn afgeleid.

9

9
Deze drie vormen, zogenoemde bakken, zijn onderdeel van het filographisch spel. Ze zijn ontstaan door de filographische basis-vormen samen met hun jasjes op een bepaalde manier te draaien in zacht materiaal (was). Deze bakken symboliseren de ruimte rondom de filographische basisvormen en jasjes.


    10

10
Deze zogeheten ringen zijn eveneens onderdeel van het filographisch spel. Zij dienen als ruimtebinding tussen de bakken en de schalen. De ringen symboliseren een uitgerekte ruimte en hun lege binnenruimte kan opgevuld worden met andere onderdelen van het filographisch spel. Bij de bakken zijn kleine ronde gaten zichtbaar, bij de ringen zijn de gaten uitgerekt tot een grotere lege ruimte.
 

  11
 

11
De schalen ofwel schillen omsluiten de filographische basisvormen, hun jasjes, de bakken en de ringen die daarbinnen compact gestapeld zijn. De schalen zijn de buitengrens van het filographisch spel. Na opening zijn de overige onderdelen van het filographisch spel te verspreiden en kunnen de schalen dienen als achtergrondruimte. Door de schalen kan binding ontstaan tussen de onderdelen.


  12 

12
Een stelling van filographische basisvormen die door symbolen weer-gegeven wordt. Na het weghalen van de basisvormen kunnen we via de symbolen ‘lezen’ (zien) welke vorm zich waar bevond en kunnen we ons de vorm voorstellen waarin zij lagen; in dit geval was dat een driehoeksopstelling. Deze eigenschap van het filographisch spel kan misschien leiden tot een vormtaal.


       113

13
De filographische vormen worden door de ruimte omsloten en om deze ruimte weer te geven, zijn de filographische jasjes ontworpen. In het filographisch spel kunnen deze ruimtes (jasjes) los van de filogra- phische vormen gebruikt worden. Hierdoor ontstaat de indruk van aanwezigheid van de filographische vormen, ook als ze er niet zijn.


    14 

14
Op deze afbeeldingen is te zien hoe de jasjes in combinatie met filographische basisvormen gebruikt kunnen worden. Op een jasje kan ook een niet passende vorm geplaatst worden. Dit ervaren we als storend. Op deze afbeelding is een bijna symmetrisch in elkaar passend tafereel van basisvormen met hun jasjes zichtbaar.


   15

15
Filographische taferelen waarmee de ruimte gevuld wordt en waarmee talloze ruimtelijke combinaties en vervormingen van de ruimte weer te geven zijn. Tijdens het spelen met deze ruimtecombinaties wordt ons denken beïnvloed en beïnvloeden ons denken en handelen de ruimte.


  16

16
Op een foto van een filographisch tafereel is een ander filographisch tafereel geplaatst en daarvan is weer een foto genomen. Hierdoor zijn verschillende tijden en ruimtes met elkaar gemixt. Op deze manier zijn talloze combinaties te maken waardoor ons denken over ruimte en tijd wordt beïnvloed. Door hun existentie en doordat ze ons denken hebben beïnvloed, beïnvloeden deze opnames weer tijd en ruimte.


   17

17
Dit zijn collage van foto’s van filographische taferelen. Hierop zijn vervormde ruimtes en perspectieven te zien en verschillende tijden. Als deze collages gedraaid zijn, lijken ook de taferelen veranderd te zijn. Dit verschijnsel wijst in de richting van een ‘extra ruimte’ in ons denken. Ons denken ervaart deze collages als reëel maar merkt er iets vreemds aan op.

  18

18
Mixen van verschillende collages. Ons denken over ruimte wordt hierdoor in verwarring gebracht. Als we onszelf dwingen te analyseren hoe dergelijke afbeeldingen in elkaar zitten, kunnen we onze waar-neming en hiermee ons denken bestuderen. Hierdoor krijgen we toegang tot de zogeheten ‘extra ruimte’ in ons denken en ontstaat een binding tussen denken, ruimte en materie. In de toekomst kan deze binding misschien leiden tot reizen in de ruimte via denken.

 

 

terug naar boven